
Het bedrijf was georganiseerd per land: elk land een eigen voorraad, eigen planning en eigen aansturing. De strategie ging naar een indeling per marktsegment, over de landsgrenzen heen. Dat betekende dat de supply chain, die tot dan toe vier keer naast elkaar bestond, één geheel moest worden — zonder de landenorganisaties op te heffen, want die dragen de klantrelatie.
De logistieke footprint is samengevoegd waar dat kon: locaties van verschillende bedrijfsonderdelen bij elkaar gebracht, met het serviceniveau als harde ondergrens.
De aansturing van de productielocaties is gecentraliseerd, maar de locaties zelf niet. Dat onderscheid was belangrijk: centrale regie hoeft niet te betekenen dat alles op één plek komt te staan.
De voorraad moest omlaag terwijl de beschikbaarheid omhoog ging. Dat is een lastige combinatie, zeker omdat het assortiment grotendeels van één dominante leverancier komt en de levertijden daar niet te beïnvloeden zijn. De winst zat in betere prognoses en in het verschuiven van voorraad naar de juiste plek in het netwerk.
Daarbovenop is S&OP ingericht, met een gelaagde overlegstructuur: wie beslist wat, op welke termijn, en op basis van welke cijfers.
Niet het ontwerp, maar de landenmanagers. Zij leverden autonomie in en zagen daar aanvankelijk vooral het verlies van. Dat is opgelost door het voordeel aantoonbaar te maken in plaats van het te beweren, door KPI’s af te spreken waar zij zelf op konden sturen, en door gefaseerd in te voeren zodat elke stap zich eerst kon bewijzen.
Daar hoorde ook bij dat het centrale team bemenst werd met mensen die in de landen geloofwaardig waren. Zonder dat was het een stafafdeling geworden waar niemand naar luistert.
Omdat het laat zien dat centraliseren en samenvoegen niet hetzelfde zijn. Wat hier is gecentraliseerd, is de besturing; wat is blijven staan, zijn de locaties en de landenorganisaties. Die keuze maakte het verschil tussen een transformatie die landde en een reorganisatie die weerstand had opgeroepen.